• Nederlands

    Nederlandse werkwoorden vervoegen

    Инфинитив Прош. время (ед. ч.) Прош. время (мн. ч.) Причастие Перевод zijn was waren geweest быть hebben had hadden gehad иметь doen deed deden gedaan делать gaan ging gingen gegaan идти/ехать komen kwam kwamen gekomen приходить/приезжать willen wilde wilden gewild хотеть kunnen kon konden gekund мочь moeten moest moesten gemoeten быть должным mogen mocht mochten gemogen можно/иметь право zeggen zei zeiden gezegd сказать